Het begint allemaal met de beschrijving van een gewone, onopvallende straat in een buitenwijk van Berlijn, de Siegfriedstraat, een stapel oude kleren op de stoep, een voorbijlopend stel dat uit elkaar gaat.
Geleidelijk aan ontwikkelt het gedicht zich en worden details uit de directe omgeving opgenomen, een heg met bloeiende seringen, het blauwachtige geroezemoes van de televisie, graffiti op de muren, de geur van geroosterde maïs en de zoete, stroperige geur van karamel uit de Sonnenallee.
De twee dichters spreken Arabisch, Duits, Engels en Frans. Ze begrijpen elkaar niet altijd, maar reageren op elkaar, zoeken de dialoog voorbij wat hen scheidt, de talen van de een, de talen van de ander. Ze luisteren naar elkaar, vertrouwen elkaar en verweven hun talen om samen uiting te geven aan hun verwarring, hun woede, de noodzaak om de stilte te doorbreken.
Het onderwerp is oorlog, vernietiging, geweld. Dat van wapens en stilte, dat van ontmenselijking en morele straffeloosheid, dat van de verkrachting van taal door politieke propaganda.
Haidar en Ermacova begonnen hun samenwerking in 2024 op uitnodiging van het Poesie Festival (Haus für Poesie Berlin). Tijdens deze eerste ontmoeting werd er veel gesproken over botsingen en liefde, over de genocide die plaatsvindt in Gaza en over de stilte die hier wordt opgelegd.